DE BRIEVEN

De Twintigste Brief

Het vierde woord

لَهُ الْمُلْكُ

Dit woord betekent dat alles – van het aardoppervlak tot aan de Arsh, van de aarde tot aan de Plejaden, van de atomen tot aan de planeten, en alles binnen eeuwigheid – binnen Zijn heerschappij valt. Het hoogste niveau van heerschappij behoort Hem toe, zoals dit in de gedaante van een geweldige eenheid tot uitdrukking komt.

Een krachtige getuigenis van dit hoogste niveau van heerschappij en van deze geweldige eenheid is mij, tijdens een zeer aangenaam moment en in de vorm van een invloedrijke Arabische herinnering, in het hart ingegeven. Omwille van deze aangename herinnering zullen wij hier eerst de Arabische tekst weergeven en daarna een toelichting toevoegen.

لَهُ الْمُلْكُ لِاَنَّ ذَاكَ الْعَالَمَ الْكَب۪يرَ كَهٰذَا الْعَالَمِ الصَّغ۪يرِ ٭ مَصْنُوعَا قُدْرَتِهِ مَكْتُوبَا قَدَرِهِ ٭ اِبْدَاعُهُ لِذَاكَ صَيَّرَهُ مَسْجِدًا ٭ ا۪يجَادُهُ لِهٰذَا صَيَّرَهُ سَاجِدًا اِنْشَٓاؤُهُ لِذَاكَ صَيَّرَ ذَاكَ مِلْكًا ٭ ا۪يجَادُهُ لِهٰذَا صَيَّرَهُ مَمْلُوكًا ٭ صَنْعَتُهُ ف۪ى ذَاكَ تَظَاهَرَتْ كِتَابًا ٭ صِبْغَتُهُ ف۪ى هٰذَا تَزَاهَرَتْ خِطَابًا ٭ قُدْرَتُهُ ف۪ى ذَاكَ تُظْهِرُ حِشْمَتَهُ ٭ رَحْمَتُهُ ف۪ى هٰذَا تُنَظِّمُ نِعْمَتَهُ ٭ حِشْمَتُهُ ف۪ى ذَاكَ تَشْهَدُ هُوَ الْوَاحِدُ ٭ نِعْمَتُهُ ف۪ى هٰذَا تُعْلِنُ هُوَ الْاَحَدُ ٭ سِكَّتُهُ ف۪ى ذَاكَ فِى الْكُلِّ وَالْاَجْزَٓاءِ ٭ خَاتَمُهُ فِى هٰذَا فِى الْجِسْمِ وَ الْاَعْضَٓاءِ

Het eerste gedeelte:

ذَاكَ الْعَالَمَ الْكَب۪يرَ...الخٓ

Met andere woorden, dit universum, dat men de macrkosmos noemt, en de mens, die als zijn verkleinde voorbeeld de microkosmos wordt beschouwd, tonen beide de bewijzen van de goddelijke eenheid die met de pen van macht en qàder zowel in de uiterlijke als in de innerlijke wereld zijn geschreven.

Inderdaad, in de mens vinden wij op verkleinde schaal de welgeordende kunst van het gehele universum terug. En zoals die kunst, die wij in het uitgestrekte universum aantreffen, getuigt van één Schepper, zo verwijst ook de fijnzinnige, op kleine schaal samengebalde kunst in de mens opnieuw naar Zijn bestaan en eenheid.

Bovendien, zoals de mens een bijzonder betekenisvolle brief en een welgevormde ode van de Heer is, zo is ook het universum een even welgevormde ode die op veel grotere schaal geschreven is.

Is het dan überhaupt mogelijk dat iets of iemand anders dan de Wāhid-i Ehad zich zou kunnen bemoeien met het stempel van eenheid dat zichtbaar is op de gezichten van alle mensen, samen met hun ontelbare onderscheidende kenmerken? En dat hij invloed zou kunnen hebben op het zegel van eenheid dat alle schepselen in het universum schouder aan schouder en hand in hand doet staan?