HET GELOOF EN DE MENS 

Het Drieëntwintigste Woord

 

Dit Woord bestaat uit twee hoofdstukken

 

بِسْمِ اللّٰهِ الرَّحْمٰنِ الرَّحٖيمِ

لَقَدْ خَلَقْنَا الْاِنْسَانَ فٖٓى اَحْسَنِ تَقْوٖيمٍ ۞ ثُمَّ رَدَدْنَاهُ اَسْفَلَ سَافِلٖينَ ۞ اِلَّا الَّذٖينَ اٰمَنُوا وَ عَمِلُوا الصَّالِحَاتِ

 

Het Eerste Hoofdstuk 

 

In dit hoofdstuk zullen wij via vijf punten vijf van de duizenden bekoorlijkheden van de īmān uiteenzetten. 

 

Het eerste punt 

 

Dankzij het licht van de īmān stijgt de mens naar alā-yi illiyyīn en bereikt hij een waarde die hem waardig maakt om het paradijs binnen te treden. Door de duisternis van het ongeloof daarentegen vervalt hij tot esfel-i sāfilīn en krijgt hij een hoedanigheid die hem geschikt maakt voor de hel. Immers, īmān is een binding die de mens met zijn Sāni-i zul-Djelāl verbindt. Aldus krijgt de mens een waarde overeenkomstig met de verschijningen van de kunsten en namen van de Heer die zich op de mens vertonen. Ongeloof verbreekt deze band, waardoor de kunsten van de Heer niet meer te zien zijn en de waarde van de mens slechts ten opzichte van zijn materiële aspect wordt bepaald. Aangezien het materiële aspect van de mens echter vergankelijk en voorbijgaand is, heeft het nauwelijks enige waarde. 

 

Deze waarheid zullen wij met een voorbeeld toelichten. De materiële waarde en de kunstwaarde van de menselijke kunstwerken bijvoorbeeld zijn verschillend van elkaar.  Soms kunnen beide gelijkwaardig lijken, soms kan de waarde van de materie hoger dan het kunstwerk zijn en soms kan de waarde van een kunstwerk met een materiaalwaarde van enkele euro’s honderden euro’s bereiken. Een antiek kunstwerk kan zelfs miljoenen euro’s waard zijn, hoewel zijn materiaalwaarde nog geen honderd euro bedraagt.

1 van 45 Next page